Keuzes

 


Het bestaan van armoede is het gevolg van keuzes, een bestaan in armoede niet. Alhoewel er mensen zijn die er voor kiezen om sober te leven, maar die vinden daar plezier of verrijking in. Echte armoede is een noodlot dat mensen treft. Het onthoudt de kans op een redelijke levenskwaliteit en vrijheid van ontwikkeling, op een plezierig leven. Onvoldoende voeding, slecht onderwijs en gezondheidszorg, geen inkomen en perspectief, onderdelen van een bestaan aan de onderkant. Er is het standpunt dat armoede onafwendbaar is, als een natuurverschijnsel of door een hogere macht gegeven: “verliezers heb je nu eenmaal altijd”. Of dat het noodzakelijk is voor de economie, omdat armoedegebieden reservoirs vormen van goedkope arbeidskracht waarmee de lonen laag worden gehouden. Maar niemand zal openlijk zeggen dat armoede gewenst is en dus staat armoedebestrijding hoog op de wereldagenda. Wel wordt er, bijvoorbeeld in Nederland, geklaagd over de hoogte van de budgetten voor ontwikkelingssamenwerking, wat overigens niet synoniem is aan armoedebestrijding. Of dat het verkeerd wordt besteed of blijft hangen aan de strijkstokken die tussen de gevers en de doelgroepen zitten. Maar dit gaat over kruimels in vergelijking met het totaal van kapitaalstromen die rond de wereld flitsen. En die plotseling kunnen verdwijnen, deels in de zakken van individuen en groepen die zeker geen kruimeldieven genoemd kunnen worden. Onzinnige opmerkingen dus, of gewoon smoesjes om geen verantwoordelijkheid voor het bestaan van armoede te willen nemen.

 

Armoe is een gebrek aan middelen en de bestrijding ervan vergt middelen. De kwestie is hoeveel en hoe die middelen gebruikt worden. Hoeveel er nodig is hangt af van de situatie die overal weer verschilt. Het gebruik van de middelen ook, maar daar valt in algemene termen al meer over te zeggen als gekeken wordt naar de factoren die een rol spelen. Armoedegebieden, zowel stedelijk als landelijk lijden gebrek aan bijna alles: inkomensbronnen, kwaliteitsonderwijs en gezondheidszorg en een stimulerende leefomgeving. En gewoonlijk wordt daarin in die gebieden veel minder geïnvesteerd dan daar waar de hogere inkomens verdiend worden. Daarmee wordt de armoede in de achterstandsgebieden bestendigd. Zelfs vergroot en overgedragen op generaties die erin opgroeien, als het ware duurzaam gemaakt.

Economische groei, beschouwd als de motor van vooruitgang, moet vanzelf banen opleveren. Als dat niet werkt is de hoop gevestigd op zelfredzaamheid en moet ondernemersschap de oplossing bieden. Mogelijk, maar toch beperkt als methode van armoedebestrijding want gericht op kansen en niet op de capaciteiten die nodig zijn om ze te benutten. Of iemand als werknemer of als ondernemer succes heeft hangt af van de kwaliteiten waarover men beschikt. Die hangen af van de omstandigheden waaronder men opgegroeid is: voeding, kleding, opvoeding, zorg, opleiding en leefomgeving en andere vormende elementen van menselijke kwaliteiten. Investeren daarin is zinnig als basis van armoedebestrijding. Dat levert misschien pas op de langere termijn, bij volgende generaties, echt resultaten op maar die kunnen dan meer solide blijken te zijn dan het stimuleren van ondernemersschap en werkgelegenheid. Teveel wekt die aanpak de indruk indirect en willekeurig te zijn en voor het resultaat afhankelijk van externe factoren. Een sterkere basis geeft het investeren in levensbepalende factoren: in scholen, klinieken, de woonomstandigheden, parken en sportfaciliteiten, bibliotheken en alle facilteiten die belangrijk zijn voor menselijke ontwikkeling. En een focus op kinderen trekt de ontwikkeling van de ouders er vanzelf bij. Volwassenen beschouwd als ontwikkelingsfaciliteit van toekomstige generaties, als prominente factoren van armoedepreventie.

 

Waar en waarin middelen geïnvesteerd moeten worden kan redelijk gemakkelijk te bepalen zijn. Wat er mis is of tekort schiet valt vaak al heel snel oppervlakkig waar te nemen en daarnaast zijn er genoeg direct betrokkenen die het zo kunnen uitleggen. Met wat meer inspanning is het ook verder na te gaan aan de hand van informatie die de verschillende instituties in een achterstandsgebied kunnen leveren. Dat kan bij elkaar een plaatje opleveren van de mate waarin menselijke ontwikkeling plaats vindt en of die achterblijft bij de gewenste niveaus. Scholen over schoolbezoek en resultaten, politiebureaus over misdaadpatronen en ongelukken, klinieken over het voorkomen van ziektes en aandoeningen, gemeentes over het functioneren van publieke faciliteiten en diensten, voorbeelden van relevante gegevens. Die kunnen vergeleken worden met die van andere woongebieden, wat een indicatie oplevert van de mate en de aard van achterstanden. Het geeft een instrument wat investeringen richting kan geven maar ook de mogelijkheid om verdere verbanden te onderzoeken. Samenhangen tussen de verschillende factoren onderling en tussen de ontwikkeling van een buurt en die in de wijdere omgeving, zoals economische ontwikkelingen, regeringsbeleid en veranderingen in het milieu. Ook de invloed van de huiselijke situatie op met name de ontwikkeling van kinderen. Met factoren als woning en buurt, gezinssamenstelling, inkomsten, cultuur. Bij elkaar een diagnostisch instrument dat meer inzicht in hun eigen situatie kan verschaffen aan de bewoners van armoedegebieden; zeker als het gehanteerd wordt in samenwerking met degenen die daar direct invloed op hebben. Een kleine stap is het dan om het inzicht te vertalen in doelstellingen waar gezamenlijk aan gewerkt wordt. Bijvoorbeeld toename van het aantal leerlingen dat voortgezet onderwijs succesvol afmaakt, afname van het aantal kinderen met aandoening van de luchtwegen, verbetering van de buurt. Doelstellingen die gerealiseerd kunnen worden door maatregelen zowel binnen het eigen huishouden als binnen de instituties waarop men is aangewezen. En waarvoor de behoefte aan inbreng van buiten redelijk nauwkeurig bepaald kan worden. Waarmee ook meer kans bestaat dat middelen voor armoedebestrijding ook hun doel bereiken.

 

Die middelen zijn er. Het gebruik ervan is een kwestie van keuzes door bezitters van die middelen, van hun prioriteiten. Als de verantwoordelijke overheden tekortschieten is het aan anderen om hun positie te bepalen: het maar zo laten, het aan de kaak stellen van dat falen, of zelf in het gat stappen. Daarvoor zijn er buurtorganisaties, NGO's en ook bedrijven die een sociale verantwoordelijkheid nemen. Soms is het ook beter als bepaalde taken door anderen dan een overheid worden uitgevoerd. Het kan een onafhankelijkheid garanderen die nodig is voor mensen die op zichzelf zijn aangewezen. Maar dat vereist dat die ‘derden' niet hun eigen agendas aan hun hulp verbinden en hun blauwdrukken, van hoe ‘ze' zouden moeten leven, aan hen opdringen. Buurtontwikkelingsdoelstellingen kunnen dat enigszins voorkomen doordat ze een eigen agenda vormen waaraan agendas van buitenstaanders afgemeten kunnen worden. Maar het blijft de keuze van degenen met macht over middelen hoe ze met die macht omgaan. Als de toegevoegde middelen goed gebruikt worden zal dat op termijn resulteren in hogere ontwikkelingsniveaus en een groter potentieel voor economische vooruitgang. In hoeverre dat potentieel gebruikt kan worden is voor een groot deel afhankelijk van externe ontwikkelingen op regionaal, nationaal en globaal niveau. En die zijn moeilijk te sturen en het kan zijn dat het ontwikkelde menselijk potentieel ongebruikt blijft en met frustraties blijft zitten. Maar dan kan dat potentieel tenminste haar capaciteiten gebruiken om invloed uit te oefenen en hun deel van de middelen van de wereld op te eisen.

 

“En weer maken ze er een puinhoop van in Afrika” was er te horen na de rellen tegen buitenlanders in sommige sloppenwijken in Zuid Afrika. Het lijkt er vaak op: Sudan, Zimbabwe, Congo, Nigeria, steeds weer heftige conflicten en problemen met veel slachtoffers en ontwrichting tot gevolg. Een snerend commentaar meestal gevolgd met de conclusie dat “ze” zelf maar hun zaakjes op orde moeten brengen. Maar “ze in Afrika” bestaan niet, er zijn machthebbers en machtelozen, mensen met middelen en mensen die ze moeten missen, met alle gradaties tussenin. En goed beschouwd valt het grootste deel van de “puinhoop” te herleiden tot de rijkdommen van Afrika en de conflicten tussen degenen met macht over die rijkdommen en diegenen dat willen hebben. Met op de achtergrond de internationale spelers die de rijkdommen willen om hun eigen groei te voeden. Te zelden spelen degenen die die middelen het meeste nodig hebben daarbij een rol, tenzij als slachtoffer. Het is een oud verhaal.

 

meer in :
"De overheid komt binnen "
"De Bantu moet leren werken"
"Komen om te helpen"
"Welke kerk dan ook"
"Afval"
"Tussen droom en daad"
"Verliezen"

boeken :
Amartya Sen: Vrijheid is vooruitgang
Jared Diamond: Ondergang

Groei is een bijna onaantastbaar dogma in de wereld en die groei wordt vooral uitgedrukt in economische termen, financiële resultaten en materiële verworvenheden. Er worden steeds meer kanttekeningen geplaatst bij de duurzaamheid van economische groei omdat de beschikbare middelen op aarde niet onuitputtelijk zijn. Van buiten hoeven we voorlopig niet op hulp te rekenen, behalve van de zon dan. Dat zal leiden tot nog grotere competitie om middelen of nopen tot nieuwe definities van groei. Misschien tot het verlaten van groei als egocentrisch concept en het richten van middelen op plaatsen waar groei het meest nodig is. Dat kan ten koste gaan van de eigen materiële vooruitgang en moet toenname van kwaliteit in het leven in andere dingen gezocht worden zoals vrije tijd, plezier en creativiteit. Dan maar niet steeds weer de nieuwste consumptietrends volgen maar het doen met dat waarmee we het tot dusver prima konden doen. Armoedebestrijding gaat voorbij de vraag naar duurzaamheid van groei en de beschikbaarheid van hulpbronnen. Mensen zijn de motor van vooruitgang en de reden er voor. Terwijl in de wereld bijna eén op de zes mensen aan ondervoeding lijdt gooit tegelijkertijd iedere Nederlander gemiddeld meer dan een kilo voedsel per week weg. De vraag is of de mensheid zelf duurzaam kan zijn als het ene deel zich op superieure wijze ontwikkelt terwijl het andere een inferieur leven moet lijden. Het antwoord is een keuze.

 

naar Startpagina

Amsterdam, december 2008