|
Op de weg naar huis
1986 – 1990: geheime activiteiten in Swaziland
De tijd in Swaziland valt moeilijk in eén verhaal te vatten. Het beslaat twee levens die gelijktijdig werden geleefd maar zorgvuldig gescheiden moesten blijven. Wat niet echt mogelijk was omdat het ene als dekmantel diende voor het andere dat verborgen moest blijven. Voor het grootste deel ook verborgen voor mezelf, omdat dat beter, veiliger was. Niet weten wat je niet hoefde te weten, vergeten wat beter niet onthouden kon worden. Dingen doen zonder te weten waarom. Een abnormale periode onder dagelijkse spanning, die veel beperkingen oplegde. Waarin ambities in werk en sociaal ondergeschikt waren, alleen zijn en handelen het gevolg en de paranoia over je schouder loerde. Een tijd, die werd doorgebracht met het helpen van anderen, het in de kantlijn figureren van een groter gebeuren, de illegale terugkeer van Zuid-Afrikanen naar hun land en het terugnemen ervan. Een gebeuren waarvan slechts kleine stukjes werden gedeeld en sommige ervan hier worden weergegeven.
|
| ANC: African National Congress | Swaziland was toen eén van de routes voor de terugkeer. Een landje grotendeels omvat door Zuid Afrika maar ook met een zo'n honderd kilometer lange grens met Mozambique, waarmee het geplaatst was in het front van het verzet tegen Apartheid. Verzet wat anders, misschien treffender, werd omschreven door een lid van het ANC als het terugnemen van wat door de blanken was ontnomen, hun waardigheid, de leefruimte die ooit de hunne was en het land waarvan men was verdreven. “We are returning home, comrade”, we gaan naar huis terug. Swaziland lag op die weg naar huis. Een moeilijke en gevaarlijke weg. De repressie is in de jaren tachtig op z'n hevigst in Zuid Afrika: noodtoestand, verbanning, gevangenschap (veelal zonder proces), martelingen, censuur waren middelen waarmee de blanke minderheid zichzelf aan de macht probeerde te houden. Een macht die ook over de grenzen reikte met invallen in Botswana en Lesotho en zelfs aanslagen in Europa. Een macht die overal verwacht kon worden en overal een bedreiging vormde. Ook Swaziland was in de tang van het Zuid-Afrikaanse regime. Ontvoeringen en aanslagen vonden plaats met de regelmaat van de klok.
|
Veiligheid en bescherming van deze belangrijke route naar en van Zuid Afrika was dus van levensbelang. Mogelijk tientallen leden en sympathisanten van het ANC (en andere bewegingen) droegen daarvoor zorg. Veelal een verborgen leven leidend, levend in achterkamers, afgesneden van famile en vrienden, zonder inkomen, met te vaak rijst met rode pepers op het menu. En met de voortdurende dreiging ontdekt te worden of verrraden. Logistiek, verblijf en transport, en informatie over de vijand en over mogelijke vrienden waren sleutel functies. Blanke buitenlanders, op het eerste gezicht minder verdacht, konden daarbij een handige rol spelen. Niet alleen Nederlanders, ook Britten, Zwitsers, Canadezen en Amerikanen, ter plekke of in hun thuisland gerecruiteerd, vervulden ondersteunende taken. Veilige accommodatie voor ondergrondse activisten, transport en opslag van documenten en materialen, het overbrengen en ontvangen van boodschappen, verzamelen van inlichtingen en veel andere kleine en grote activiteiten. |
|
MK: Umkhonto We Sizwe, Speer van de Natie, gewapende vleugel van het ANC.
mijn woning, kantoor van Soks |
Oorspronkelijk was mij het verschaffen van woonruimte, het houden van een ‘safe house' als hoofdtaak toebedacht, maar de kleine personeelswoning leende er zich niet voor. Wel was het geschikt bevonden om te dienen als werkruimte, kantoor, voor Nhlanhla, of de ‘baas' zoals ik de leider van MK (de militaire tak van het ANC) in Swaziland noemde. Veel later bleek zijn werkelijke naam Silumko Sikupa, kortweg Soks, te zijn. Hij was in 1987 Ebrahim Ismail Ebrahim opgevolgd (Ibi, mij toen bekend als Ahmed) die in december 1986 was ontvoerd, net drie maanden na mijn aankomst in Swaziland. Bij het verlenen van werkruimte kwam als vanzelf een rol als een soort persoonlijk assistent: chauffeur, boodschappenjongen, contactpersoon en bewaarder van allerhande wisselende spullen, van af en toe een wapen tot en met paspoorten van activisten op een missie. Maar zeker niet het bijhouden van zijn agenda. Dubbele panelen op de plek van de bovenlichten van binnendeuren en een speciaal gemaakte boekenkast met holle achterkant dienden als bergplaatsen. Aan de constante behoefte aan, nieuwe, veilige woonruimte kon enigszins beantwoord worden met behulp van een oudere Britse makelaar die ontvankelijk bleek voor verhalen over bevriende consultants uit Zimbabwe die aan een woning geholpen moetsen worden. Enkele huizen konden zo worden gevonden in Manzini die door activisten werden betrokken. Een zekere nazorg hoorde daarbij: het oplossen van eventuele praktische problemen en daarvoor werd aan het huis een bezoek gebracht. Dat leidde eens tot een, achteraf, hilarische toestand toen de ‘bewoners' zich bij het openen van het tuinhekje in de achterkamer verschansten met de wapens in aanslag. Ze waren niet geïnformeerd over het mogelijk bezoek van iemand met een uiterlijk wat gemakkelijk voor dat van een blanke Zuid-Afrikaner, een Boer, kon doorgaan. |
|
Ontdekking met de waarschijnlijke gevolgen van ontvoering of moord was de permanente angst in de ‘safe houses'. Soms leidde dat tot een onopvallend gedrag wat alleen maar verdenking op kon roepen. De twee activisten in het huis in Ngwane Park, bekend als Bob en Vanessa, hielden altijd hun gordijnen potdicht gesloten en moesten daarop gewezen worden. Regelmatig bezoek door een blanke was ook een manier om het huis wat gezicht te geven. En Vanessa een enkele keer ophalen voor een biertje thuis brak voor haar ook nog het ingeperkte bestaan en maakte de functionele relatie wat persoonlijker. Bob had ik al snel ‘Crocodile Bob' genoemd vanwege zijn smakelijke verhalen over de met handgranaten gevangen krokodillen die zijn menu in het Angolese opleidingskamp afwisselden. De avond voor mijn vertrek naar Nederland voor de begrafenis van mijn vader bracht ik met hem door in het donker op zijn veranda met wat blikjes bier en goede gesprekken. Eén van de weinige momenten waarop het contact met de activisten wat persoonlijker werd. Verder bleef dat contact strikt beperkt door het noodzakelijke veiligheidsvoorschrift: alleen weten wat persé nodig is. Slechts met andere Nederlanders in vergelijkbare posities konden meer persoonlijke banden onderhouden worden. Nodig om jezelf staande te houden, aan het isolement van het dubbelleven te ontsnappen en het er gewoon over te kunnen hebben hoe het met je gaat, ergens terecht kunnen als je het moeilijk hebt. Fred en Marianne met hun twee jonge dochters levend op de universiteitscampus in Kwaluseni en daar diep betrokken geraakt. Van onschatbare waarde voor ‘het werk', maar ook een plek biedend waar je het even van je af kon zetten. De eindeloze gesprekken onder het genot van borrel en sigaar met André, in de avond zittend voor zijn of mijn huis of gewoon in een café. De bezoeken aan Mirjam die waardevol werk verrichtte maar het isolement uiteindelijk niet aankon. Lucia met wie heel sporadisch contact mogelijk was en vanwege ontdekking te vroeg moest vertrekken maar een kritieke rol in Lusaka ging spelen. En Gert en Gonne, het echtpaar dat me kwam opvolgen. Vertellen, praten, klagen, grappen maken en roddelen over de twee kanten van je leven. Zeker niet alles vertellen, maar vrienden bij wie het verdraaien van feiten, leugens begrepen en geaccepteerd was, omdat ze de reden kenden. Vriendschap die essentieel was onder de voortdurende druk van een vijand. |
Renamo: toen door Zuid Afrika gesteunde terreurbeweging in Mozambique |
Crocodile Bob toonde onverwacht zijn gezicht weer tijdens een bezoek aan Maputo. Erheen gestuurd om een verborgen compartiment in m'n auto te laten maken en geld mee terug te brengen moest ik dagen lang tevergeefs op de comrades wachten in een hotel in Maputo terwijl ondertussen aan de auto werd gewerkt. Toen ik eindelijk, het wachten beu, de stad in was gegaan kwamen ze opeens opdagen op zoek naar mij met Bob die, voor andere redenen in Maputo, over mijn aanwezigheid had gehoord. Mogelijk had hij me afgeschilderd als een zoon van Joe Slovo, dat werd niet duidelijk, maar de verspilde tijd in het hotel werd ruimschoots gecompenseerd met een riant maal prawns en een avondje stappen in de shebeens van Maputo. Een welkome afwisseling in een spannende trip via door Renamo beheerst gebied. Na terugkeer leverde het openen van het verborgen compartiment een onprettige verrassing op: 10 AK's en voldoende ammunitie om een aardappelzak mee te vullen. Niet het geld waarvoor de reis bedoeld was, nodig om de mensen en het werk in Swaziland gaande te houden. Onbedoelde wapensmokkel, eigenmachtig toe besloten door de kameraden in Maputo. De 'baas' was er absoluut niet blij mee en de activisten, met hun rijst met pepers in de achterkamertjes, zeker ook niet. |
Afgezien van een mislukte missie ten noorden van Swaziland was het de enige trip over de grens voor het ANC. Binnen Swaziland was vervoer een regelmatige bezigheid. Soms van een pak tijdschriften, dan weer een wapen, zelfs een fotokopieerapparaat, het kwam allemaal voor. Maar het ‘koffertje' was een regelmatig opduikend item, een goedkoop diplomatenkoffertje wat kennelijk van levensbelang was, maar waarin nooit een blik geworpen kon worden. Het vervoer van Soks zelf was echter het belangrijkste, vroeg in de ochtend ergens ophalen om m'n huis te kunnen gebruiken en 's avonds vaak weer wegbrengen. ‘Ergens' ophalen om ‘ergens' weer af te zetten. Meestal op duister blijvende missies die een enkele keer cryptisch geduid werden. “De oude werkte mee” was de opmerking bij terugkeer uit een steeg waarin hij was verdwenen met een pistool in een krant gevouwen. En dat was al een verbazingwekkende openhartigheid. |
|
Als ‘ogen en oren', een soort voelspriet van de inlichtingen afdeling, werd er meer ‘feedback' ontvangen. Veel van dat snuffelwerk kon gedaan worden in de bars van Manzini, gelukkig. De Mozambican Bar was een vruchtbaar jachtterrein, een roemrucht café met een geliefd restaurant. Een jonge man met een koffertje komt op een avond binnen en gaat in een hoekje van de bar zitten, bij de telefoon. Het lijkt een Portugese Mozambicaan, hij valt me op doordat hij het koffertje angstvallig op z'n knieën houdt. Als hij de telefoon grijpt en een nummer begint te draaien veins ik een lichte roes en observeer hem vanuit m'n ooghoeken terwijl ik diep over m'n glas hang. Na een aantal pogingen heeft hij contact en ik het gedraaide nummer. Het is van een hotel in Maputo, zegt Soks later. Niet lang daarna zie ik hem weer bij het pleintje waar ik boodschappen doe, pratend met een paar andere mannen bij de ingang van een kantoorgebouw. Het valt me op en rapporteer het. Het blijkt het lokale hoofdkwartier van Renamo te zijn. Letterlijk de top bereikt het Renamo verhaal in de bar van het George Hotel, bij uitstek een plek waar je de nacht kunt uitstellen of juist inleiden. Een andere Portugese Mozambicaan zit verderop aan de bar en ik hoor hem van een afstand praten over Lumumba. Vreemd, heel ongebruikelijk daar. Met een paar biertjes kan ik zijn praatzucht bijna tot loslippigheid oprekken. Hij vertelt over helicoptertrainingen en zelfs waar hij woont. De gulheid gaat verder als hij zijn “zuster”, die erbij zit, aanbiedt voor de nacht. Een paar dagen later vertelde Soks dat het de lokale commandant van Renamo bleek te zijn die kort daarvoor nog doelwit van een aanslag was geweest. |
|
de buitenbar van het George Hotel, zonder Constance |
Het raadsel van Mdu R. is mij nooit opgehelderd. Een aardige man, Zuid-Afrikaan, die opdook in de buitenbar van het George Hotel. Een café bedoeld voor het gewone volk en dus meestal heel gezellig. Regelmatig kwam er ook een minister of een prins ontspanning zoeken onder de warmhartige hoede van de struise Constance. Mdu ontpopte zich snel als een aangename gesprekspartner. Hij had gewerkt bij een Amerikaanse televisiezender maar was daar ontslagen om redenen waarover hij onduidelijk bleef. En waar hij zich nu van in leven hield bleef ook in het vage. Misschien van zijn vrouw die bij een aannnemersbedrijf werkte. Of misschien andere bronnen. Genoeg redenen om het er met Soks over te hebben, die vond dat ik er verder op door moest gaan. Veel leverde dat niet op, hij bleef vaag en verdween op een gegeven moment, naar Zimbabwe werd er gezegd. Kraamvisite bij zijn vrouw, het ‘omkopen' van zijn zoontje van acht met wat snoep of kleingeld, het leverde niets op. Hij dook weer op maar liet zich weinig in het café zien. Werd gesignaleerd met “September”, de overloper die grote problemen veroorzaakte en een aantal slachtoffers op zijn geweten had. Het raadsel werd nog groter toen hij een paar uur voor mijn terugkeer naar Nederland onverwacht op kwam dagen in m'n bijna lege woning. Weer vage verhalen, opmerkingen over contact dat in Amsterdam met me zou worden opgenomen, niets concreets, nevels van mysterie. Kort voordat André me ophaalde om me naar het vliegveld te brengen kon ik hem de deur uitwerken en die voor het laatst achter me dichttrekken, de periode in Swaziland was voorbij. Het raadsel van Mdu – goed, fout of eigen paranoia – bleef, een deeltje in een verhaal dat nog niet afgelopen was. |
Bij terugkeer in Amsterdam hoorde ik verhalen over de vrijlating van Nelson Mandela, gevierd door twintigduizend mensen op het Leidseplein. Een schril contrast met de manier waarop ik dat zelf meemaakte. Het was tijdens een tuinfeest bij Wouter en Annie dat André terloops vraagt: “Goh, wordt vandaag die, hoe heet ie ook alweer, Mandela vandaag niet vrijgelaten? Kan de t.v. niet even aan om ernaar te kijken?”. Iemand gaat naar binnen om dat te doen en wij blijven buiten praten en bier drinken. Even later wordt er geroepen: “Hij is op t.v. hoor!”. Wij naar binnen en wie is er te zien: Mswati, de jonge koning van Swaziland. Swaziland, Nederlanders in Swaziland, op de stoep van Zuid Afrika. Zo dichtbij, maar toch zo veraf. Ver van het grote verhaal wat zich ontrolde, maar nog niet afgerond was en wat nog alle kanten op kon. En daarom niet toeliet dat het eigen rolletje daarin bekend werd, ook niet in Nederland. Een enkeling wist het, een ander had ervan gehoord, wat niet had gemogen. Nieuwe plannen werden overwogen voor een rol in Operatie Vula, waarvoor ik contactpersoon was geweest als Ivan Pillay, de coördinator, Soks wilde bereiken. Maar die werden achterhaald door de gebeurtenissen. Operatie Vula werd ontdekt, leden vermoord, Mac Maharaj en anderen gearresteerd, gegevens en plannen vielen in verkeerde handen. Ik belde André om hem te waarschuwen: “Hou je gedeist, er zijn grote problemen in de familie”. De eigen plannen konden vergeten worden, eigenlijk tot mijn opluchting. Eén deel van mijn dubbelleven kon op non-actief gesteld worden, werd slapend. Het andere deel kon zich ontplooien |
|
Elf jaar later in de wat verlopen bar van het Dorchester Hotel in East London, vooral bezocht door inwoners van de Quigney, een wat sjofele wijk bij de kust. Ik word aangesproken door ene Kenneth die vertelt dat hij lid was geweest van een speciale eenheid die over de grenzen opereerde. Misschien een provocatie omdat ik een paar dagen daarvoor een gesprek met Neil, m'n tiijdelijke buurman, afbrak omdat hij weigerde het K-woord, kaffer, niet meer te gebruiken. Maar Kenneth lijkt er wel het type voor: blond, atletisch gebouwd, gemillimeterd haar, T-shirt zonder mouwen, een kleine taoeage. Ik antwoord koeltjes en laat het erbij, wil me er niet in laten slepen. Maar het opent de gesloten doos met herinneringen aan de tijd in Swaziland. Aan Paul Dikeledi en Cassius Make, die ik nooit had gekend, maar uit de krant vernam van hun koelbloedige terechtstelling op hun weg vanaf het vliegveld, verraden. Af en toe was ik naar de plek gereden waar het gebeurd was, om er even bij stil te staan. Ik kende ze niet maar hun dood bleef bij me. Herinneringen en gedachten kwamen op over de wreedheden van het Apartheidsregime en soms ook van het verzet ertegen. |
|
Tijdens vooronderzoek naar een mogelijk erfgoed project in Duncan Village lees ik de getuigenissen bij de Waarheids- en Verzoeningscommissie van mensen daar, veel over de opstanden in 1985. Van de martelingen, het willekeurige neerschieten van mensen, kinderen. Ik kende al veel verhalen van vrienden zoals Mthe en Elvis over de onderdrukking, het verzet, de wreedheden. Ook over hun eigen lijden in handen van de politie of hoe hun persoonlijk bezit verloren ging als een bijkomstigheid van de strijd. En zo werd het me ook vaak afgeschilderd: als een bijkomstigheid bij een groter gebeuren. Maar ik heb de lidtekens gezien van de sjambok, de bullepees en de zweem van pijn die over het gezicht trekt bij de herinnering aan marteling en vernedering, geen bijkomstigheden. Met Bizu, een collega uit Ethipië, sta ik op de hoek van Plumbago straat en Phoenix straat waar je uit kunt zien over de vroegere scheiding van zwarten, kleurlingen en Indiërs in aparte woongebieden. Ik vertel hem de verhalen die ik gehoord heb over het leven in die tijd, over de pasjes en het niet hebben ervan, over vrouwen die niet bij hun echtgenoten mogen overnachten en daarom 's nachts in het struikgewas moeten slapen, over de gedwongen verhuizingen, gevangenschap. Hij is geschokt maar blij dat hij van mij hoort over de zelfverklaarde superioriteit van de blanken in Zuid Afrika. Over de minderwaardige positie waartoe zwarten werden veroordeeld, alleen van betekenis als arbeidskracht, niet ver verwijderd van totale verwerping, genocide. Bestempeld als wezens van een lagere orde. Het heeft diepe wonden gemaakt waarvan de lidtekens pas met de generaties zullen verdwijnen. Het verhaal gaat nog door, het terugnemen van de ruimte die ontnomen was is niet voltooid. Niet zolang er oorden zijn als Duncan Village, toonbeelden van open wonden toegebracht door apartheid.
Amsterdam, maart 2008 |
|
|